Ik chat.
Te vaak en te veel.
Drie jaar geleden zachtjes er aan begonnen vanuit eenzaamheid. Corona-gerelateerd, ja, vanzelfsprekend. Maar het zat/zit dieper dan dat. De lockdowns kwamen voor mij op een moment dat ik zo goed als geen enkel perspectief meer zag of had, niet op gebied van werk of inkomen, niet op gebied van sociale relaties, niet op het gebied van enige zin te zien of te hebben in het leven. Ik zat diep en ik zat al jarenlang compleet vast.
Dat was toen. Sedertdien heb ik wel wat stappen gezet en daardoor ook terug positieve dingen meegemaakt. Komende uit een schraal en leeg leven, heb ik nu terug dingen te doen. Zijn er hier en daar weer mensen die me blij gedag zeggen bij een ontmoeting, gesteld als ze zijn op mijn gezelschap en ik wederkerig op het hunne.
Maar toch blijf ik nog chatten.
Drie jaar geleden bood het chatten me troost, hoop, herkenning. Ik kreeg er aandacht en het vulde mijn avonden. In goede gesprekken kon ik mijn vertwijfeling, mijn verloren-zijn uitspreken. En wonderlijk genoeg stelde ik in die corona-tijd vast dat er nog mensen waren die met gelijkaardige zaken in de knoop lagen.
Nu zijn we post-corona en is dat allemaal veel geminderd. Back-to-business-as-usual, lijkt het wel. Chat is een medium dat voornamelijk gefrequenteerd wordt door mannen, al of niet gehuwd of in relatie (vaak wel) en in meer of mindere (meestal meer) mate op zoek naar opwinding en spanning. Ik heb het er wat mee gehad eigenlijk. Een van mijn chat-contacten noemt het een 'leeg medium' en ik ben geneigd om hem daarin gelijk te geven. Een ander chat-contact noemt het een verslaving, ook hem geef ik gelijk.
Zelf vind ik de chat bovendien een grote triestigheid hebben. Al die mensen, chattend, zoekend naar iets dat ze menen te missen. Zij, maar ook ik. En denkelijk wordt dat gezochte slechts zelden en door maar enkelen echt gevonden.
Reacties
Een reactie posten